Onderzoek

De verschijnselen van trombose en longembolie kunnen ook door andere aandoeningen optreden. Als de artsen bij u trombose of longembolie vermoeden, laten ze nader onderzoek doen om zeker te weten om welke aandoening het gaat.

Onderzoek bij vermoeden van trombose
De verschijnselen van trombose en longembolie kunnen ook door andere aandoeningen optreden. Als de artsen bij u trombose of longembolie vermoeden, laten ze nader onderzoek doen om zeker te weten om welke aandoening het gaat. Bij het vermoeden van een trombose kunnen diverse (combinaties van) onderzoeken worden gedaan om de ziekte vast te stellen of uit te sluiten. Vaak worden twee eenvoudige testen bij u afgenomen: de klinische beslisregel en de d-dimeertest. De klinische beslisregel is een standaardlijst met punten die aangeeft hoe hoog de kans op trombose bij u is. De d-dimeertest is een bloedtest die bij trombose - maar ook bij allerlei andere ziekten - een afwijking laat zien. Als volgens de beslisregel de kans op trombose niet hoog is en als de d-dimeertest een normale uitslag geeft, hebt u geen trombose. Verder onderzoek naar trombose is dan niet meer nodig.

Trombose kan worden aangetoond met echografie. Met echografie worden de aders bekeken terwijl geprobeerd wordt de aders dicht te drukken. Als dit niet mogelijk is, dan hebt u een trombose. Echografie is onschadelijk en pijnloos. Als u op dezelfde plek eerder een trombose hebt gehad, kan het wel moeilijk zijn om te bepalen of het een nieuwe trombose is of dat de afwijking een restverschijnsel van een eerdere
trombose is.

Als de echografie onduidelijkheid laat bestaan, doet men een flebografie. Bij dit onderzoek wordt een contrastvloeistof in een bloedvat van uw voet gespoten en worden er röntgenfoto’s van de aders van het been gemaakt. De prik in de voet kan pijnlijk zijn en de contrastvloeistof kan soms een allergische reactie geven. Als u allergisch voor jodium bent, meld dit dan van tevoren!

Bron: Folder Trombose en longembolie - Nederlandse Hartstichting

afdrukkenAfdrukken